Verkeerde Deur

Ongemerkt, niet waargenomen. De signalen heb ik niet herkend, ineens was er een ‘verkeerde’ deur geopend. Duistere tentakels grepen me, verstikten me, verlamden mijn beweging.
Ik zag jou, en ik zag je niet. Ik voelde een waas van duisternis dalen, mijn zicht belemmeren. Niet alleen mijn visuele zicht maar ook mijn eigen unieke zicht, mijn voelen, mijn antenne die zoveel dingen voelt, aanvoelt, waarneemt.
Ik keek je aan, van binnen klonk een hartverscheurende schreeuw ‘zie dan!’ maar ik kon het je niet duidelijk maken.
Mijn onderdanigheid bewoog het mechanisme van overgave, ik volgde je zonder te reageren. Wanhopig probeerde ik je duidelijk te maken dat het niet goed met me ging, ik wist niets uit te brengen, ik haakte mijn ogen in de jouwe en hoopte dat je het zou zijn. Je zette me tegen het Andreas kruis, alles voelde vreemd en vijandig aan. Mijn lichaam bevroor waar het anders haar eigen dans inzette, ik huilde inwendig. Je zag het niet, dat ik niet kon dansen, dat ik verlamd was.

En dan ineens uit het niets de vraag ‘gaat het goed?’, ik moest zoeken naar alle kracht in mij om mij door de duistere tentakels heen te ademen die me verstikten, die me leken te verhinderen om jou duidelijk te maken dat het niet goed ging. Een zacht nee terwijl ik mijn hoofd iets bewoog was alles dat ik eruit kon krijgen. Je wilde me naar een andere plek brengen, het voelde als een afstand die ik niet kon overbruggen. Ik zag een dik matras naast me en wees, je hielp me los te komen van het kruis. Niet omdat ik vast gezet was met boeien, ik had mijzelf vrijwillig gefixeerd en de verlamming had me volledig vastgezet. Het was alsof elke vezel in mijn lichaam niet meer wist hoe vrij te bewegen.
Zodra ik het matras raakte krulde ik mij op, ik wilde schreeuwen, wilde huilen maar er kwam niets. Duisternis daalde neer, ik voelde haar mist optrekken, zich in mij nestelen, verenigen met de verborgen donkere hoekjes in mij. Ik liet haar, het waren geen golven die over mij spoelden. Het was één grote zware golf die mij naar beneden had getrokken en ik was niet in staat mijn weg terug naar de oppervlakte vinden. Ik bleef liggen op de bodem van een zwarte zee waar geen licht doordrong. Geen idee hoe lang ik zo gelegen heb, na een tijdje werd ik me bewust van jouw lichaam, naast me, me vasthoudend. Jouw armen over mijn oren om mij af te schermen van de geluiden om mij heen. Ik werd me bewust van waar we waren, de geluiden uit de speelruimte sneden als messen door me heen. Dwars door de verlamming heen vlamde de paniek, ik moét hier weg. Mijn lichaam voelde zwaar en bewegingsloos aan. Voorzichtig probeerde ik de sensatie van voelen terug te krijgen, ik lag ergens dus moest ik voelen waarop ik lag. Ik schoof lichtjes met een vinger en voelde een glad koel oppervlak, zodra de waarneming binnen was gekomen leek deze volledig te worden geabsorbeerd door de donkerte in mij.
Het werd een gevecht, beetje bij beetje wist ik mij los te wurmen uit de verlammende greep die mijn lichaam beheerste. Ik bewoog, en gaf aan dat ik hier weg wilde. Ik dwong mijzelf alle handelingen te verrichten die bij ‘hier weg gaan’ hoorden. Mijn lingerie weer aan, mijn jurk aan, de deken om mij heen. Ik keek naar mijn pumps en voelde de paniek vlammen, mijn lichaam trok dat nu niet en ik nam een vreemde innerlijke strijd waar. Ik leek even niet in staat de oplossing te vinden, tot ik naar mijn hand keek en me realiseerde dat ik mijn schoenen vast kon houden en dús niet aan hoefde te trekken.

We verlieten de ruimte, het was koud in de ruimte ernaast, te koud voor mij. We bewogen naar een andere ruimte, ik bewoog me door een dof geluid. Het geluid van mensen die praten, die bewegen, die hun eigen dynamiek hebben. Al die tijd, al heb ik nog steeds geen besef van de duur, bleven de tranen komen. Ze waren niet te stoppen, er was geen aantoonbaar verdriet, ik kon het nergens aan ophangen. Er was een intens en immens verdriet, een innerlijke pijn die zich manifesteerde als alles verslindende duisternis, die mij lam legde. Zwijgend zaten we samen in een nis, de verlamming kreeg alsmaar meer grip op mij. Het was alsof ik niet in staat was de woorden en gedachten die mijn hoofd vulden te uiten, ik had jou nodig, waar was je? Ik kon je niet vinden, ik kon je niet voelen terwijl je naast me zat, me vasthield, me probeerde te troosten.
Een vreemdsoortig verbittering kreeg grip op me, de verlamming verschoof richting gevoelloosheid met een alles overheersende dofheid. Ik miste mijn eigen glans, mijn levendige dynamiek maar ik leek niet eens in staat bij het gevoel van missen te komen.
Mijn denken nam waar, toonde mij de analyses, ik zag mijn eigen innerlijke processen maar was niet in staat ze te doorbreken. Ik spoorde mijzelf aan ervan weg te bewegen en tijdens deze beweging zag ik een deur die geopend was, ik zag mijzelf in een donkere ruimte net voorbij de deur en ik wist….er was een verkeerde deur open gegaan. Dit zou even duren, ik zou op eigen kracht mijn weg terug moeten zien te vinden, en misschien zou het een tijd duren voor alles in mij de ruimte zou verlaten.

Mijn overlevingsmechanismen namen de regie over, spoorden me aan me te bewegen, te proberen tot een minimale communicatie te komen. Ik hoorde mijn eigen stem, ze klonk tegelijkertijd hol, leeg en vol bewogen leven. Ik hoorde de pijn maar kon haar niet voelen, mijn beschermingsmechanisme was in werking gezet. Ik voelde alleen de intense leegte in mij, de donkere diepte die leeg oogt maar sterke schaduwen verbergt. Een deel van mij bleef er achter, terwijl de andere delen het mechanisme van leven overnamen. Ik wist me weer enigszins te bewegen, tot een niveau waarop ik me in staat voelde op te staan en weg te gaan.
Waar ik niet toe in staat was om vrienden gedag te zeggen, het spijt me als dit vreemd of onvriendelijk op jullie is overgekomen.
Ik heb al mijn kracht nodig gehad om mijn lichaam zich naar buiten te laten bewegen.
Eenmaal in de relatieve veiligheid van de auto liet ik weer los, tranen bleven stromen.
Thuis leek het of de veiligheid van het bekende daar nog een schepje bovenop gooide. Een ongrijpbaar niet te vertalen verdriet hield mij in haar greep, nog altijd voelde ik mij verlamd. Ik ging naar bed, viel huilend in slaap en werd huilend wakker. Wederom namen de automatismen het over, ik bewoog maar zonder te bewegen. Ik worstelde mijzelf door de dag heen, nog altijd verlamd van binnen.
Tot een externe gebeurtenis mij dwong de plek te verlaten, de verlamming nog altijd daar maar ik liet haar daar waar ik mijzelf had achtergelaten. Een kalm overleven nam over, waar gevoel minimaal doordringt, waar de woorden in mijn hoofd zich verschuilen achter een vals licht. Ik ken en herken het, er is nu geen ruimte voor mijn eigen strijd, er is een noodzaak om aanwezig te zijn en dus neemt overleven het over. Het is een emotioneel overleven, moeilijk te grijpen, nog moeilijke te verwoorden of uit te leggen.

De verkeerde deur is nog altijd niet gesloten, er is nog steeds een deel van mij daar in die donkere ruimte, wachtend tot de andere delen in mij haar omarmen en zij samen de ruimte kunnen verlaten, of verlichten.

Leave a Reply